Zoeken

Sluit zoeken
Updates

Tuinieren op weg naar het symbioceen

09 January 2024

Als we onze planeet willen laten gedijen, moeten we de manier waarop we werken, samenwerken en financieren nu veranderen. Stel dat we alles ontwerpen als een kans op wederkerigheid?

Linsey Rendell is een van de vijf Creative Voices die afgelopen jaar zijn geselecteerd om vanuit haar eigen, unieke perspectief zowel een preview als een review te schrijven op Dutch Design Week 2023 (DDW23). Via een Open Call zijn internationaal creatieven uitgenodigd om te reflecteren op actuele kwesties en de rol die ontwerpers daarin spelen. De programmalijnen die Linsey gevraagd zijn te onderzoeken voor haar review van Dutch Design Week zijn het Product & Craft Design-perspectief en de Enabling our Thriving Planet-missie. In haar essay Tuinieren op weg naar het symbioceen (oorspronkelijke titel: Gardening towards the symbiocene, red.), verkent Linsey Rendell de manieren waarop plaatsen en economieën dusdanig worden ontworpen dat planetaire bloei mogelijk wordt.

Wat hebben we echt nodig om te leven? We hebben allemaal voedsel nodig, we hebben allemaal water nodig, we hebben allemaal lucht nodig om te ademen, we moeten allemaal plassen, we hebben allemaal slaap nodig. We hebben ook toegang tot groene ruimtes en toegang tot informatie nodig. We hebben menselijke aanraking nodig. Kleding voor ons lichaam en beschutting tegen het weer. Manieren om ons afval te verwerken, inclusief onze op een dag verlopen lichamen. We hebben bijen, wind, wormen, gezonde bodemgrond en bomen nodig. We hebben vreugde, dankbaarheid, plezier en hoop nodig. We hebben relaties nodig. We hebben een bloeiende aarde nodig.

Wat we hebben: een economie waarin schaarste, extractie en de veronderstelling van eindeloze groei ten koste van menselijk en ecologisch leven centraal staan. Om onze planeet te laten gedijen, hebben we systemen, infrastructuren en landschappen nodig waarin collectief welzijn binnen planetaire grenzen centraal staat. Dus hoe kunnen de manieren waarop we ontwerpen een economie van radicale vernieuwing laten groeien? Hoe kunnen we overstappen van producten ontwerpen met een winstoogmerk, naar productontwerp dat een gezonde verwevenheid tussen mensen en plaats oplevert?

Als we deze troebele kruispunten onderzoeken, wat gaan we dan composteren? Wat geven we water? En wat hebben we nodig in de steeds sneller voorbijgaande tussentijd?

Wat gaan we composteren?

We composteren op dit moment vooral ego en eigendom. En we verdwijnen in illusies over menselijk exceptionalisme. “We proberen de natuur te bezitten en vechten erover door middel van geld, grenzen, begrenzingen en kaarten in de taal die wij hebben gedefinieerd", stelt Jimin Hong in Possession to Nature. “Maar vanuit het perspectief van de natuur bestaat zulke taal niet.” 

We composteren ook ongecontroleerde uitbuiting. Niet-menselijke entiteiten zijn - net als mensen - geen objecten of gereedschappen om ongebreideld te gebruiken, maar net zo echt als jijzelf. Het veranderende klimaat laat zien dat overmatige consumptie geen optie is. Dus composteren we ook het kapitalisme. “Ik ben echt geïnspireerd door het plezier dat er te beleven is aan degrowth en alles wat komt voorbij onze focus op groei", zegt ruimtelijk ontwerper Marte Mei. “Ik denk dat we eerst moeten begrijpen wat ‘genoeg’ betekent en proberen de groei af te remmen, zodat er meer ruimte is voor innovatie.”

In plaats van te ontwerpen voor geplande veroudering, zouden we kunnen ontwerpen om planetair welzijn te verstevigen. Maar hoe kunnen we, in een tijd van elkaar kruisende crises en meervoudige onmiddellijke behoeften, de storm van urgentie en schaarste tot bedaren brengen, zodat ontwerpen méér doet dan minder schade aanrichten? Wat als we leren om ruimte te geven aan het moment, zodat aandacht voor het heden ook bijdraagt aan een betere toekomst?

Gone Fishing van Carys Higgins is een commentaar op het gebrek aan aandacht van de mens voor wat we echt nodig hebben om te leven, en laat zien hoe vissen is verworden tot een kwestie van producten die je kunt kopen om te kunnen vissen of die je kunt dragen tijdens het vissen - alleen maar om te vangen en weer los te laten. In deze context is vissen een sport, een escapistische hobby ten koste van de vis, in plaats van een activiteit die bedoeld is om te overleven of te voeden. In plaats van het uitputten van ambachten en soorten, hoe kunnen visserijgemeenschappen juist teruggeven aan de omgeving van de vis? Zodat zij én wij gedijen?

“Een groep wilgenpottenmakers uit Cornwall vertelde me dat ze samenwerken met de plaatselijke gemeente om land te verwerven, zodat ze de wilg lokaal kunnen verbouwen en oogsten", vertelt Carys. “In dit geval is er voor het oplossen van milieuproblemen - zoals overbevissing met plastic netten - geen nieuwe innovatieve oplossing nodig, maar een heropleving van systemen die al bestonden. De ene helft van het jaar oogsten en maken de vissers wilgenpotten en de andere helft gebruiken ze die potten om te vissen.”

Wat geven we water?

We zaaien al locatiespecifieke interventies die omringende relaties erkennen, herstellen en cultiveren. En we besproeien die onderlinge afhankelijkheden. Maar wat als we ons perspectief verleggen, en 'behoefte' vanuit meerdere identiteiten benaderen, inclusief de niet-menselijke?

De Land-Ally methodologie van Marte Mei wurmt alvast het ‘hoe’ open van samenwerking tussen meerdere soorten. “Ik probeer de rol van de ontwerper - of de mens in het algemeen - te zien als één van bondgenootschap”, legt Marte uit. “Hoe verhoud je je tot een rivier? Hoe geef je die de ruimte om zichzelf te zijn of gehoord te worden, zonder te antropomorfiseren (een dier of object menselijke eigenschappen toedichten, red.)?”

Will Water Want onderzoekt de mogelijkheid van de Dommel als stakeholder bij de ontwikkeling van KnoopXL, een stedelijke zone rond het centraal station van Eindhoven. “Er is veel commodificatie (ergens handelswaar van maken, red.) als het gaat over natuurlijke hulpbronnen en niet-menselijke entiteiten”, ziet Marte. “Historisch werd de Dommel gezien als een manier om ons afval te dumpen, of als een obstakel dat mensen in de weg stond; nooit als iets dat invloed kon hebben op besluitvorming. Dus dit project probeerde de deur open te zetten voor de gemeente om een rivier te erkennen als een entiteit die beslissingen kan nemen. Ik ontdekte ook dat niet veel mensen er een intieme relatie mee hebben. Dus hoe kan ik een stuk ontwerpen dat uitnodigt tot intimiteit, tot een diepere relatie?”

Om de stem van de Dommel te verheffen en uit te nodigen tot verbinding, creëerde Marte twee instrumenten waarmee de rivier kan communiceren. Glazen objecten interacteren met het fluctuerende waterniveau van de Dommel, terwijl een serie aluminium buizen mensen in staat stelt te luisteren naar het geluid dat het water maakt als het voorbij stroomt. “In mijn onderzoek ontdekte ik dat er eigenlijk bijna niets is dat de rivier in fysieke zin kan zeggen of uitdrukken - in termen van ruimte innemen, ruimte opeisen, een eigen weg banen. Het water is extreem gereguleerd; een grote vergrendeling regelt hoeveel water de stad in en uit gaat. Er zijn stenen randen aan elke kant, dus de rivier kan op geen enkele manier een eigen vorm creëren. De twee gereedschappen die ik heb gemaakt, spelen in op het enige gevoel van agency dat de rivier nog kan communiceren, namelijk dat wanneer er veel regen valt, het waterpeil stijgt.”

De mens tot rust brengen

Hoe ziet een ontwerp eruit dat wordt geleid door processen van samenwerking tussen meerdere diersoorten, hoe voelt en klinkt dat? Hoe zouden onze toekomstige stedelijke omgevingen eruitzien als we ontwerpen met - in plaats van ondanks - de lokale niet-menselijke bewoners? “De eerste stap in mijn ontwerpmethodologie is het creëren van een relatie met een plek.” Voor Marte is dit een heel fysieke eerste stap:  “Het is gewoon letterlijk tijd doorbrengen op de locatie, observeren. Ik teken soorten die ik zie of dingen die opvallen op de locatie - geluiden of geluidsoverlast. Ik probeer zo stil mogelijk te worden als mens. Echt op een plek te zitten en op te lossen in dat gebied.”

‘En dan creëer ik een interdisciplinaire groep mensen om me heen met expertise rond deze entiteit. De methodologie begint dus heel tastbaar, instinctief en intuïtief, en wordt dan langzaam rationeler en praktischer.’

Luisteren naar en leren van het meer-dan-menselijke is een proces dat veel menselijke stakeholders goed zouden kunnen gebruiken om allerlei gewenste uitkomsten te realiseren. Voor burgers nodigt aandacht geven aan niet-menselijke entiteiten uit tot verstilling in een drukke wereld en vergroot het onze gevoeligheid voor wie hier nog meer is en wat onze mogelijke invloed op hen is, plus wat het aan ons dagelijks leven kan veranderen. Voor beleidsmakers nodigt dit opkomende domein uit tot vruchtbare samenwerking, om samen een veerkrachtige stad vorm te geven. En het maakt de verantwoordelijkheid van het besturen van land en mensen nederiger - we hebben niet alle antwoorden nodig; er zijn overal om ons heen leraren.

Marte Mei ziet een positieve verschuiving naar het opmerken van niet-menselijke entiteiten als stakeholders of belanghebbenden: “De gemeente heeft ruimte gecreëerd voor dit project, ze hebben het uitgenodigd. Ze lieten een workshop toe met de mensen die de ruimte gaan ontwerpen. Ze spendeerden twee uur van hun dag om zich voor te stellen: oké, wat als we de ruimte anders zouden ontwerpen? Dat een gemeente als Eindhoven dit probeert in te brengen in hun besluitvorming over wijken maakt me echt hoopvol dat het de komende tien jaar genormaliseerd wordt.”

Bouwen aan plaatsgebonden gemeenschappen

De Duitse cultureel antropoloog Werner Krauss zei dat ‘landschappen nooit passief zijn - ze zijn onlosmakelijk verbonden met de identiteit van de mensen die ze bewonen, vormgeven en beheren’. En dus kan een antwoord op de vraag hoe wij-tweeën zullen beginnen, inter-being zijn: waar we zijn, op onze plaats, in gemeenschap.

Wat is hier? Wie is hier? Wat weten we? Wat moeten we weten? Wat zijn de problemen en uitdagingen hier? Hoe zullen we nu leven?

Samenwerkend (samen plotten/ samen ademen) met innovaties op het gebied van natuurrechten zoals De Ambassade van de Noordzee en het zoöp-model, deelt The Intergenerational Climate Crimes Act van Radha D'Souza en Jonas Staal een raamwerk, in de vorm van wetgeving, voor hoe design onze overgang van marktgerichte naar plaatsgerichte gemeenschappen kan ondersteunen. Het illustreert een toekomst - en een heden, als we dat willen - waarin een inclusieve samenleving verder reikt dan het menselijke; waarin vissen en wallaby's en kikkers en fossielen kameraden zijn in onze gezamenlijke strijd tegen uitsterven. Het maakte deel uit van The space between us, waarin de vraag werd gesteld: welke vaardigheden en gewoonten moeten we behouden en wat moeten we (af)leren om op een goede manier met verschillen samen te leven?

Het bredere werk, The Court for Intergenerational Climate Crimes, 'herdenkt instellingen en gerechtelijke processen op een manier die de menselijke soort fatsoeneert en in plaats daarvan plaats maakt voor gemeenschappen op basis van plaats', zegt curator Fabienne Chiang. Er staat een prachtig citaat in D’Souza’s boek What’s Wrong with Rights?:

‘Land is bij uitstek een relatie. Land is geen ding. Het is een band die mensen met de natuur en met elkaar verbindt. Land is de lijm die mensen en natuur samenhoudt om plaatsen te vormen.’

Producten die de weg wijzen naar het symbioceen

Wat als alles wat we ontwerpen een kans vormt op wederkerigheid en een bijdrage levert aan de systemen die ons ondersteunen? Het creëren of assembleren van regeneratieve producten, en het vervolgens maken van een regeneratief retailconcept, is erg idealistisch", vindt Nadia Troeman, programmamanager bij Het Nieuwe Instituut. "We hebben ons allemaal het hoofd gebroken over wat ‘regeneratief’ precies betekent - voor mensen en voor niet-mensen, en hoe regeneratief een product eigenlijk kan zijn. We weten het eigenlijk nog steeds niet echt.” 

New Store heroverweegt op zijn beurt het concept 'product' en vraagt zich af of productie en consumptie het milieu ten goede kunnen komen in plaats van schaden. Het stelt zich een toekomst voor die verder gaat dan consumptie als plezier en accumulatie als sociaal kapitaal. Hoewel het concept opwindend en provocerend is, is de realiteit gecompliceerd. "Iets volledig regeneratief maken, betekent dat het vanaf het materiaal op een bepaalde manier moet worden verbouwd, op een bepaalde manier moet worden geoogst en hyperlokaal moet zijn”, zegt Nadia. “Hoewel ontwerpers deze manieren van werken aanraken, zijn veel van de methodes nog steeds gesitueerd in de context van recycling, upcycling, circulariteit en duurzaamheid - en dat is allemaal valide en essentieel. Dus besloten we te beginnen met wat er nú is en dan samen te kijken hoe ver we kunnen komen in het regeneratieve productieproces.”

Het New Store-project erkent dat onze huidige economie wordt gedomineerd door het kapitalisme en verhoudt zich tot die constructie; het biedt koopbare producten aan én probeert alternatieve vormen van uitwisseling uit. Het doel is om een bedrijfsmodel te creëren en een fysieke winkel te openen in het Nieuwe Instituut: “Een van de ambities is om te kijken of we hier een werkend systeem van kunnen maken in de echte wereld, om te zien of dat zou werken”, licht Nadia toe. “Ik weet nog niet hoe graag mensen willen betalen voor deze dingen. Want het gaat echt allemaal om geld. Daarnaast draait het om comfort. Het gaat erom dat je dingen nu wilt hebben en niet een jaar hoeft te wachten op de tafel die je hebt besteld.”

Door openlijk te experimenteren, creëert New Store een platform waar mensen spelenderwijs kunnen ontdekken hoe het eruit kan zien en kan voelen om iets te geven om iets te ontvangen, of om deel te nemen aan community-based uitwisselingen - wat deze verschuivingen veilig, tastbaar en transparant maakt. Hoe is het ze gegaan tijdens DDW23? “We waren een beetje huiverig dat het thema moeilijk te begrijpen zou zijn, maar dat was het niet", vertelt Nadia. “Mensen waren erg enthousiast, dat was geweldig om te merken. Een van de eerste deelnemers aan het Piss Soap-project was een oudere dame die met een stok liep. Zij was de eerste die zei: geef me een kopje, ik doe het.”

We benaderen verandering allemaal vanuit verschillende perspectieven, kennisdomeinen, ervaringen, vaardigheden, behoeften, prioriteiten en verlangens. We hebben alle benaderingen nodig om voorbij het huidige antropocentrische ego-systeem te komen en te evolueren naar een toekomstig symbioceen, waarin mensen en niet-mensen samenleven en gedijen in wederzijds voordelige relaties.

Misschien zijn regeneratieve producten nog te vaag om diepgaand te kunnen kennen. Naast het theoretiseren van regeneratieve processen en systemen vanuit de marge, stelt ontwerp ons in staat om deze design futures te oefenen. Via ‘testen door te doen' - zoals Nadia de werkwijze van het Nieuwe Instituut omschrijft - kunnen we vormgeven aan hoe we producten, ontwerpen en de mens anders kunnen vormgeven.

Er zijn veel manieren om (af) te leren, maar om dat te doen via het lichaam, via actie en participatie, is een van de meest effectieve manieren.

Fabienne Chiang

Misschien hebben we soms hulpmiddelen nodig om ons te helpen zien. Voor Gaia, How Are You Today? 3D-printte Yufei Gao 92 terracotta potten waarbij de weergegevens van de dag de vorm bepalen. Als de temperatuur, vochtigheid en windsnelheid afwijken van het gemiddelde, buigt en zakt de vorm van de pot in elkaar. Het is technologie die de natuur socialiseert - het creëren van interfaces die het zien, herinneren en weten activeren. 

Om onze planeet te laten gedijen, moeten we onze manieren van werken, samenwerken en financieren zo snel mogelijk veranderen. Om door het tussengebied te navigeren en tot uitwisselingen te komen die een bloei van meerdere soorten mogelijk maken, moeten we inrichten en herconfigureren waarom, hoe en wat we ontwerpen en samen verandering in alle openheid (be)oefenen. 

Op dit moment voelt het teruggeven van ruimte aan niet-mensen en minder consumeren als een opoffering voor mensen, maar dat hoeft niet zo te zijn", zegt Marte. “Om ecologisch te kunnen genezen, moeten we accepteren dat beter, in ons geval, eigenlijk minder betekent. Beter betekent ecologisch gedijen. Ik denk dat dat de grootste verschuiving is die moet plaatsvinden voor overheden, ontwerpers en consumenten.”

 


Linsey Rendell is een Australische schrijfster en redactrice die in Londen woont. Ze werkt momenteel samen met re:arc institute, een filantropisch initiatief dat architectuur(en) voor planetair welzijn ondersteunt.