Het leven als designpartner
We leven in een wereld van beton. Het is zo alomtegenwoordig dat we het niet meer opmerken. Toch is de milieu-impact van beton bekend. Naast de CO2-voetafdruk laat de productie ervan littekens achter in het landschap, tast ze de kwaliteit van water en bodem aan en is ze diep verankerd in economische systemen die gebaseerd zijn op exploitatie. De levenscyclus van beton is eenrichtingsverkeer. In tegenstelling tot biologische materialen keert beton niet terug naar de bodem waaruit het voortkwam; het hoopt zich op. De crisis speelt zich niet langer alleen af in de muren, maar ook in de atmosfeer, de bodem en de oceanen. En de architectuur die we hebben geërfd, draagt daaraan bij. Het aanpakken van de voortdurende ecologische ineenstorting vereist zowel een conceptuele als een technische omslag. Het vraagt om een heroverweging van wie – of wat – als partner in het ontwerpproces wordt beschouwd. Precies die vraag staat in dit project centraal: hoe kunnen we biologische vitaliteit, ecologische eigenheid en architectonische prestaties tegelijkertijd waarborgen?
Ontwerpen door middel van fotosynthese
Het project creëert een gebouwhuid op basis van het biomineralisatievermogen van cyanobacteriën. Door middel van fotosynthese halen de bacteriën CO₂ uit de lucht en zetten dit om in een vaste vorm. Een computationeel ontwerpsysteem, gevoed met lokale klimaat- en zonnegegevens, bepaalt de diepte en porositeit van elke module om de bacteriën te beschermen en de temperatuur van het gebouw te reguleren. Door gebruik te maken van lokale invasieve soorten, stelt het een materiaal voor dat geworteld is in de specifieke kenmerken van het ecosysteem.
Het resultaat is een gevel die zich gedraagt als een organisme: een levende interface.